| Het pensioencontract van de toekomst - Verslag updatecollege VvPj 24 mei 2011 |
| Geschreven door Mr. Edwin Schop CPL - geplaatst door Mr. Edwin van Anraad CPL - VAPD |
| donderdag, 21 juli 2011 20:28 |
|
Op 24 mei jl. vond het jaarlijkse updatecollege plaats van de Vereniging van Pensioenjuristen (VvPj). Deze keer in het nieuwe kantoor van PGGM. Tijdens het eerste deel van de middag gaven zes sprekers hun visie op (onderdelen van) het pensioencontract van de toekomst. In het tweede gedeelte werden door ieder van drie leden van de VvPj een stelling ingeleid over (onderdelen van) het pensioencontract van de toekomst.
Met het oog op de huidige ontwikkelingen achteraf een fortuinlijke planning. Hierna een kort verslag van de inleidingen, uiteraard naar de stand van zaken op 24 mei 2011.
Welkomstwoord
Else Bos (Chief Institutional Business) van PGGM gaf als gastvrouw met een welkomstwoord de aftrap van de middag. Daarbij werd een parallel getrokken tussen het nieuwe kantoorgebouw van PGGM en de fundamenten van een nieuw pensioencontract. Uitgangspunt van dit nieuwe onderkomen is het nieuwe werken: vrijheid in verbondenheid met nadruk op transparantie (veel glas en ruimte), duurzaamheid (natuurlijke materialen) en individuele keuzes (flexibele werkruimten en -tijden). Het bruggetje naar de uitgangspunten van een nieuw pensioencontract is dan inderdaad eenvoudig. Daarbij staat ook (of juist?) het meest unieke pensioensysteem van de wereld staat voor een aantal uitdagingen:[2] Waarvan de voornaamste is het hoofd te bieden aan vergrijzing in combinatie met langer leven. Met het oog op die uitdaging is interessant de visie dat de enge invulling van het begrip pensioen (geld) plaats dient te maken voor pensioen in een breder perspectief (zoals het zekerstellen van voorzieningen zoals zorgvoorzieningen en geschikte woonruimte). Pensioen als voorziening voor een waardevolle toekomst, en niet (alleen) als geld.
Inside information: stand van zaken pensioenakkoord Peter Gortzak (algemeen secretaris en vicevoorzitter van vakbondcentrale FNV) gaf een toelichting op de status van het op 4 juni 2010 door sociale partners gesloten pensioenakkoord. De doelstelling van sociale partners was om voor de verkiezingen op 7 juni 2010 te komen tot een akkoord. Op hoofdlijnen, met de afspraak tot gedetailleerde uitwerking op termijn. In tegenstelling tot wat media brachten is er nimmer sprake geweest van een afgebakend en definitief akkoord. Met de uitwerking ervan zijn sociale partners nadien aan de slag gegaan, en zijn hier nog steeds mee bezig. Centraal in de uitwerking staat het bereiken van overeenstemming over de wijze waarop de schoksgewijze invloed van de financiële markten op de financiële positie van de pensioenfondsen zoveel mogelijk kan worden voorkomen. En wel zonder het risico hiervan eenzijdig neer te leggen bij de deelnemers. Maar ook de uitwerking van een arbeidsmarktbeleid voor ouderen en de koppeling van de AOW aan de verdiende lonen zijn nog openstaande punten van belang. Maar waarom duurt het zo lang voordat het akkoord is uitgewerkt? De redenen zijn uiteenlopend. 1. Een enorme diversiviteit aan regelingen maakt het moeilijk(er) om te komen tot één oplossing. 2. Nederlandse pensioenfondsen zijn rijp. Hierdoor sorteert de premie geen effect meer als sturingsmiddel bij een herstel.[3] 3. De kunst van het vinden van een evenwicht in het risicoverdelingsvraagstuk. De voorzet hiertoe werd gegeven door de STAR met het zogenaamde Financieel Toetsingskader 2 met alleen nog maar voorwaardelijke toezeggingen.. Het risico wordt dan neergelegd bij groepen deelnemers waarbij die groepen ook op de opbrengsten van het betreffende risico kunnen rekenen. Een dergelijke oplossing zal echter het beginsel van de uniforme premie en de uniforme pensioenopbouw doorbreken waardoor de wettelijke verplichtstelling in Nederland geen stand meer houdt. Dus is het zoeken naar een beter evenwicht, waarin alle belangen afdoende worden gewaarborgd. Wat is in deze discussie op dit moment dan wel de inbreng van de vakorganisaties? De inspanningen van de vakorganisaties gaan er naar uit dat bij pensioenfondsen de keuze wordt neergelegd om voorwaardelijk pensioen te kunnen toezeggen. Met een, ten opzichte van het huidige systeem, iets grotere kans op korten in combinatie met een grotere kans op indexatie.
Wij eerlijk? Een reëel pensioen, dat is pas eerlijk
Dick Boeijen (actuaris bij PGGM) ging met zijn inleiding in op eerlijke communicatie. En wel als kritische succesfactor voor het creëren van maatschappelijk draagvlak voor de huidige pensioenontwikkelingen. Op grond van diverse onderzoeksrapporten (Frijns, Don maar vooral Goudswaard) was de boodschap van toenmalig minister van SZW Donner dat: 1) pensioen onzeker wordt, 2) er geen pensioengaranties meer kunnen worden afgegeven en 3) pensioenen afhankelijk worden van de beurs. Echter, pensioenfondsen lopen al risico’s (beleggen, inflatie, rente, langleven) en geven geen garanties af (voorwaardelijke indexering en geen garantie van nominaal pensioen door de mogelijkheid tot korting). Pensioen is dus al onzeker, er gelden schijngaranties en pensioenen zijn al afhankelijk van de beurs. Indien dit eerlijker (lees: duidelijker) aan deelnemers was gecommuniceerd was het gat tussen het huidige en het nieuwe pensioencontract minder groot geweest. Hoe nu verder? De oplossing kan worden gevonden in het doorbereken van de geldillusie. Uit door PGGM gehouden onderzoek blijkt dat het effect van ‘niet indexeren’ wordt onderschat, het effect van korten wordt overschat, reële aantasting (op lange termijn) niet wordt gezien als een probleem en nominale aantasting wel wordt gezien als probleem. Nederlanders hebben de illusie dat niet korten altijd beter is dan niet indexeren. En houden dus vast (hechten grote waarde) aan garanties. Nominaal pensioen is echter een kat in de zak. Uitvergroot: bij een gemiddelde inflatie van 3% per jaar is een pensioenaanspraak van €100 nu over 40 jaar nog slechts € 25 waard. De uitdaging is om deze geldillusie te doorbreken. Door nu echt duidelijk te gaan communiceren. Door het afschaffen van verwarrende termen zoals pensioengarantie (contradictio in terminus) en nominale zekerheid (contradictio in adjecto). En te streven naar de situatie dat reële zekerheid wordt gezien als een pleonasme.
Geen compleet pensioencontract zonder beleid onderdekking
Jan Neven (directeur Pensioenbeleid PGGM) benadrukte bij het vormgeven van een pensioencontract de noodzaak tot het ex ante formuleren van beleid ingeval van onderdekking. De voordelen hiervan (belangen afwegen bij ‘goed weer’, zonder beleid geen goede voorlichting vooraf over risico, niet steeds heronderhandelen in geval van herhalend tekort) overtreffen de nadelen (beperken bestuurlijke vrijheid, onderdekking is contextafhankelijk). Een belangrijk element bij het vormgeven van een dergelijk beleid is toepassing van de evenwichtige belangenbehartiging in de zin van art. 105 lid 4 Pensioenwet. Om te voldoen aan de (marginale) toets van evenwichtige belangenbehartiging dient rekening te worden gehouden met de proportionaliteit van de maatregel (herstelkracht versus de impact van de maatregel), met het feit dat tijdelijke maatregelen passen bij incidenten en structurele bij onomkeerbare ontwikkelingen, met groepen het meest worden geraakt (actieven, slapers of gepensioneerden) en met de richting van solidariteit (van jong naar oud of andersom). Alles overziend kan worden gesteld dat via alleen beperken van de indexering een herstel niet kan worden bereikt, dat de beleggingsmix geen soelaas biedt al stuurmiddel bij onderdekking en de premie een zeer beperkte herstelkracht kent. Blijft over versobering van de regeling (structureel en geen herstelkracht) en de kortingsmaatregel (grote herstelkracht). Voor de concrete invulling ervan resteert dan nog een aantal vraagstukken, zoals de volgorde van de maatregelen, de maxima van de maatregelen (wanneer is korten nog uit te leggen, wanneer is herstel door premieverhoging niet meer proportioneel?), mag er een kans op discontinuïteit overblijven en de volgorde van de maatregelen bij herstel. Invaren van opgebouwde rechten
Erik Lutjens (VU/DLA Piper) gaf met een laatste presentatie een beknopte uitzetting van de juridische aspecten van het ‘invaren’ van opgebouwde aanspraken en ingegane rechten (opgebouwde rechten). Uitgangspunt is dat de wijziging van de pensioenregeling in de vorm van het overhevelen van het reeds bestaande naar het nieuwe pensioencontract zal moeten plaatsvinden met de bestaande wijzigingsinstrumenten. Obstakels daarin zijn op dit moment: 1. Het in art. 20 Pensioenwet vastgelegde verbod tot wijziging van de opgebouwde rechten.[4] Dat betekent dat het 'invaren' van opgebouwde rechten in het nieuwe pensioencontract door een wijziging van de regeling niet mogelijk is. 2. Een wijziging van opgebouwde rechten zijn in strijd met het afkoopverbod (art. 65 Pensioenwet). 3. De open normen evenwichtige belangenbehartiging (art. 105 Pensioenwet) en zwaarwichtig belang (art. 19 Pensioenwet) kunnen een overstap naar een nieuw pensioencontract (voor de toekomstige pensioenopbouw) frustreren. 4. De opgebouwde rechten kunnen dan nog op verzoek van de werkgever door waardeoverdracht in het nieuwe contract worden ingevaren (art. 83 Pensioenwet). De deelnemer kan evenwel bezwaar maken (art. 83 lid 2 onder a Pensioenwet). De wetgever kan dit door middel van een wetswijziging schijnbaar eenvoudig oplossen en bepalen dat de oude rechten vanaf een zeker moment vallen onder deze nieuwe wetgeving. Echter speelt dan wel het inmiddels veel besproken eigendomsrecht (art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Indien de wetgever met een dergelijke wijziging eenzijdig ingrijpt in de bestaande arbeidsverhoudingen is het uitgangspunt dat dit strijdig is met dat eigendomsrecht.
De vraag is dan ‘hoe dan wel’, zonder juridische obstakels? De wetgever kan dit oplossen door in de wet de mogelijkheid op te nemen dat werkgevers en werknemers kunnen overeenkomen om de opgebouwde aanspraken onder het nieuwe pensioencontract te brengen. Bijvoorbeeld door via de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) afkoop van oude rechten mogelijk te maken of het via de cao mogelijk maken van een (collectieve) instemming op collectieve waardeoverdracht. Een afspraak tot wijziging van de pensioenovereenkomst (inclusief bestaande rechten) valt namelijk binnen de contractsvrijheid van werkgevers en werknemers. Een dergelijke opzet levert geen aantasting van het eigendomsrecht op.
Het belang van communicatie
Jan van Miltenburg (Manager Toezicht op pensioenuitvoerders AFM) stelde de noodzaak tot een goed inzicht van de deelnemer centraal. Op grond van huidige onderzoeken blijkt dat deelnemers onvoldoende pensioenbewust zijn: geen overzicht (wat heb ik allemaal?), geen inzicht (is dat straks genoeg?) waardoor geen actie (maken van keuzes).[5] Het gevolg hiervan is dat deelnemers meer verwachten dan zij zullen krijgen, de informatie niet begrijpen en niet tijdig in actie komen. Wat de AFM met name stoort aan het huidige uniforme pensioenoverzicht is dat nominale bedragen worden gecommuniceerd en geen reële. En dan reëel in de zin van ‘kans op uitkering’ en ‘kans op behoud van koopkracht’. Het is van belang verrassingen te voorkomen door bijvoorbeeld het bieden van een totaaloverzicht met de hoogte van het totale pensioeninkomen en inzicht in het eventuele tekort. Of door bijvoorbeeld de plicht tot het hanteren van een pensioenbijsluiter: gestandaardiseerde informatie over de kwaliteit, de kosten, risico’s en de opbrengsten van de regeling. Nog het melden waard is de discussie die ontstond over het grijze gebied tussen informeren (voorlichten) en adviseren (aanbevelen). Zo heeft de AFM zich verbaasd over de terughoudende opstelling van pensioenfondsen waar het gaat om het begeleiden van deelnemers bij waardeoverdracht. Waar in de praktijk de beleving is dat hierbij snel sprake is van een advies, ziet de AFM dit als voorlichting. Maar wordt het advies gegeven door een pensioenverzekeraar of een adviseur dan is dit een advies in de zin van de Wet op het financieel toezicht.
Stellingen
Na de inleidende sprekers maakten drie leden van de VvPj zich ieder hard voor een stelling. Max Ligtenberg (Het Pensioenbureau) verzette zich tegen de stelling dat alleen door het invaren van de opgebouwde rechten het huidige pensioenstelsel in stand kan blijven. Het voornaamste argument daarbij was dat wat is afgesproken ook moet worden nagekomen. Dus deelnemers moeten hun rechten behouden zoals tot dusver opgebouwd. Een opvatting die niet door de meerderheid van de aanwezigen werd gedeeld. Frank van Doornik (Huyzer Doornik Der Kinderen Advocaten) wilde overtuigen dat nominaal pensioen de norm moet worden (blijven). De pensioensector zal namelijk niet in staat blijken goed duidelijk te maken wat een reëel pensioen is. Daarnaast is een reëel pensioen ook onzeker. Het is daarom beter om nominaal te blijven informeren, wellicht onder toelichting van de waarde van het pensioen in reële termen bij verschillende scenario’s. Tot slot werd door Fiona Bakker (?) de stelling toegelicht dat een Defined Benefit pensioen verleden tijd is en een Defined Contribution pensioen de toekomst heeft. Mogelijk dat de waarheid in het midden ligt: Collective Defined Contribution als standaard? [2] Melbourne Mercer Global Pension Index 2010. Australian Standard for Financial Studies, Mercer October 2010.
[3] Het instrument premie kent meestal een beperkte invloed, afhankelijk van de samenstelling van het deelnemersbestand. Bij voorbeeld: de totale verplichtingen zijn 3x zo groot als de collectieve pensioengrondslag. Met een stijging van de premie van 1% wordt – bij overige gelijkblijvende variabelen – 0,33% verbetering van de dekkingsgraad gerealiseerd.
[4] Hoewel dit artikel de wijziging van opgebouwde rechten van pensioengerechtigden niet uitsluit, is in de literatuur de gemene deler dat ook pensioenrechten niet kunnen worden gewijzigd.
|


