Lagere rekenrente voor wettelijke waardeoverdracht legt imperfectie van financieringsvoorschriften in de Pensioenwet bloot.
Geschreven door Jaap Harmsen CPC - geplaatst door Mr. Edwin van Anraad CPL   
donderdag, 24 maart 2011 19:44

Per 01-01-2011 wijzigt de rekenrente die gehanteerd moet worden bij wettelijke waardeoverdrachten. Die rekenrente daalt van 4,122 % (2010) naar 2,984 % voor het jaar 2011. Het gevolg van deze wijziging is niet alleen dat werkgevers een verschuiving zien optreden in de bijbetalingsplicht die zich bij waardeoverdrachten kan voordoen. Ook maakt de wijziging duidelijk dat de financieringsvoorschriften van de Pensioenwet niet zo “perfect” zijn als wordt gedacht. Dit artikel spitst zich toe op pensioenregelingen die worden uitgevoerd door een verzekeraar. 

 

1.         Individuele waarde overdrachten, systematiek in de Pensioenwet

Indien een werknemer van werkgever wisselt en aanspraken verwerft bij de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever bestaat er voor de werknemer op grond van art. 71 Pensioenwet (hierna : PW) een wettelijk recht op waardeoverdracht[1]. Daartoe is een en ander vastgelegd in de PW, het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, laatstelijk gewijzigd 12 november 2009 (hierna BuPW) en in de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, laatstelijk gewijzigd 11 december 2009 (hierna RPW). Voor een goed begrip vat ik hierna samen hoe een en ander is vastgelegd. 

PW

  • Art. 71: ziet toe op de plicht tot waarde overdracht;
  • Art. 71 lid 7: bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld wordent.a.v. de berekening en de procedure, zie daartoe het BuPW;

BuPW

  • Art. 18 t/m 24: zien toe op de procedure;
  • Art. 25: beschrijft de berekening van de overdrachtswaarde;
  • Art. 25 lid 1: meldt dat onze Minister regels stelt voor de berekening van de overdrachtswaarde (het standaardtarief), zie daartoe de RPW;
  • Art. 25 lid 4: sluit kapitaalovereenkomsten en premieovereenkomsten (die laatste voor zover die niet in de verzekering van een pensioenuitkering voorzien) uit van de voorgeschreven berekeningswijze.
  • Art. 26: bepaalt dat ingeval van uitkeringsovereenkomsten of premieovereenkomsten die voorzien in een pensioenuitkering het verschil tussen de gefinancierde waarde en de (berekende) overdrachtswaarde ten gunste cq. ten laste van de oude werkgever dan wel het oude fonds komt;

RPW

  • Art. 18 lid 3: bepaalt dat de rekenrente jaarlijks op 1 oktober voor het daaropvolgende kalenderjaar wordt bepaald;
  • Art. 19 lid 1: verwijst naar een bijlage (2) met te hanteren formules en symbolen;
  • Art. 19 lid 3: bepaalt dat, indien de berekende overdrachtwaarde lager is dan de benodigde financieringswaarde, het verschil ten laste van de nieuwe werkgever dan wel het nieuwe fonds komt;
  • Bijlage 2: bevat de te hanteren formules en symbolen.

 Uit deze samenvatting kan in eerste aanleg het volgende worden opgemerkt :

  • De eventuele kosten bij een uitgaande waarde overdracht [2] komen ten laste van de oude werkgever dan wel het oude fonds. Niet ten laste van een verzekeraar (art. 26BuPW);
  • De kosten van een inkomende waardeoverdracht [3] komen ten laste van de nieuwe werkgever dan wel het nieuwe fonds. Niet ten laste van een verzekeraar (art. 19 lid 3 RPW).

 

2.         Lagere rekenrente en verschil in waarde

2.1.      Contractuele rekenrente bij verzekeraars

De wettelijke rekenrente die gehanteerd moet worden bij de berekening van de overdrachtswaarde bedraagt per 01-01-2011 2,974 %. De meeste verzekeraars hanteren vanaf augustus 1999 voor nieuwe pensioencontracten een rekenrente ad 3,00 %. Voorheen was die rekenrente meestal 4,00 %. Dat verschil is van belang. Indien een deelnemer reeds lang voor 1999 deelnemer in een regeling was, dan wordt de gefinancierde waarde van diens aanspraak deels op de rekenrente van 4,00 % en deels op de rekenrente van 3,00 % berekend. Dat betekent het volgende voor wettelijke waardeoverdrachten.

2.2.      Inkomende waardeoverdrachten

De wettelijke rekenrente (2,974 %) is nagenoeg gelijk aan de contractuele rekenrente (3,00 %). De berekende overdrachtswaarde zal dus nauw aansluiten bij de benodigde financieringswaarde. Een voorbeeld daarvan is uitgewerkt in tabel 1.

Tabel 1 : effect inkomende waardeoverdrachten in 2011

Leeftijd werknemer

45 jaar

45 jaar

Duur deelname in pensioencontract vorige werkgever

5 jaar

20 jaar

Opgebouwd ouderdomspensioen tijdens deelname

€ 5.000,--

€ 5.000,--

Wettelijke overdrachtswaarde

€ 46.600,--

€ 46.600,--

Inkoopwaarde nieuwe pensioencontract

€ 47.800,--

€ 47.800,--

Ten laste van nieuwe werkgever

€   1.200,--

€   1.200,--

Uit tabel 1 blijkt dat anno 2011 inkomende waardeoverdrachten tot een kleine aanvullende betalingsverplichting van de nieuwe werkgever kunnen leiden [4]. De oorzaak is gelegen in het feit dat, naast de rekenrente, ook de actuariële grondslagen (art. 18 lid 1 RPW) en de kostenopslagen (art. 18 lid 2 RPW [5]) tussen het standaardtarief en het contractstarief afwijken.


2.3.      Uitgaande waardeoverdrachten

De wettelijke rekenrente (2,974%) is nagenoeg gelijk aan de contractuele rekenrente ad 3,00 % die vanaf 1999 wordt gehanteerd maar is fors lager dan de daarvoor gehanteerde contractuele rekenrente ad 4,00 %. Een voorbeeld daarvan is uitgewerkt in tabel 2.

Tabel 2 : effect uitgaande waardeoverdrachten in 2011

Leeftijd werknemer

45 jaar

45 jaar

Duur deelname in pensioencontract

5 jaar

20 jaar

Opgebouwd ouderdomspensioen tijdens deelname

€ 5.000,--

€  5.000,--

Wettelijke overdrachtswaarde

€ 46.600,--

€ 46.600,--

Contractuele overdrachtswaarde

€ 47.300,--

€ 38.300,--

Ten laste van oude werkgever

 

€   8.300,--

Ten gunste van oude werkgever

€     700,--

 

Uit tabel 2 blijkt dat anno 2011 uitgaande waardeoverdrachten tot een aanvullende betalingsverplichting voor de oude werkgever dan wel het oude fonds kunnen leiden (art. 26 BuPW). Die situatie doet zich voor als de werknemer reeds lang deelnemer is aan de pensioenregeling. In het algemeen zal dat dus de “oudere” werknemer zijn.

 

3.         Waardeverschil uitgaande waardeoverdrachten ten laste van …?

Opmerkelijk is dat art. 26 BuPW de lasten van een uitgaande waardeoverdracht bij óf de oude werkgever óf het oude fonds neerlegt. Niet bij de oude verzekeraar. Heeft de wetgever hier bewust voor gekozen?

In de nota van toelichting [6] wordt over art. 26 gemeld (ik citeer) :

Voor zover die aanspraken niet zijn gefinancierd, dient dit bij waardeoverdracht alsnog te gebeuren. De overdragende uitvoerder moet die lasten alsnog opbrengen.

Dit is opmerkelijk, een verzekeraar is immers ook een uitvoerder in de zin van de Pensioenwet. Heeft de wetgever dan bedoeld dat die kosten ook ten laste van een verzekeraar kunnen komen maar verzuimd dit in art. 26BuPW op te nemen? Dat die kosten ten laste van de overdragende uitvoerder (in het algemeen) zouden moeten komen valt overigens ook te lezen in de uitgave Pensioenwet analyse en commentaar, hoofdstuk 15 van de hand van auteur W. van Heest. Waarop dat standpunt gebaseerd is, is mij niet bekend.

In ieder geval is de conclusie dat de nota van toelichting en de definitieve wettekst afwijken daar waar het gaat om de vraag of de affinancieringslasten van een uitgaande waardeoverdracht ook ten laste van een verzekeraar kunnen komen. Dat de tekst van de nota van toelichting beter aansluit bij de financieringsvoorschriften van de PW moge blijken uit het volgende.

 

4.         Waardeverschil en financieringsvoorschriften PW

4.1.      Financieringsachterstand mogelijk

Eén van de uitgangspunten in de PW is dat pensioenaanspraken [7] te allen tijde voldoende gefinancierd dienen zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit voorgeschreven tijdsevenredige verwerving van pensioenaanspraken (art.17 PW), de eisen inzake de premiebetaling (art. 26 PW) en de wijze waarop een verzekeraar met premieachterstanden moet omgaan (art. 29 PW).

De vraag is nu of anno 2011 de tekst van art. 26BuPW niet in strijd is met deze voorschriften. Immers, het kan dus voorkomen dat, als een werknemer diens opgebouwde pensioenaanspraak wenst over te dragen naar de nieuwe uitvoerder van zijn nieuwe werkgever, er sprake is van een financieringsachterstand. Dan is het volgende denkbaar :

  • De over te dragen aanspraak is ondergebracht bij een verzekeraar;
  • Die aanspraak is deels gefinancierd op basis van een contractuele rekenrente ad 4,00 %;
  • Als gevolg daarvan zal bij overdracht in 2011 de gefinancierde contractuele waarde lager zijn dan de wettelijke overdrachtswaarde volgens het standaardtarief van art. 25 lid 1 BuPW;
  • Dit tekort komt op grond van art. 26 BuPW niet ten laste van de betreffende verzekeraar;
  • Als vervolgens blijkt dat de voormalige werkgever niet meer bestaat (om welke reden dan ook) zal het tekort niet worden aangevuld en is overdracht van een overdrachtswaarde conform de wettelijke rekenregels niet mogelijk.

Uitgaande waardeoverdrachten maken in 2011 duidelijk dat de financieringsvoorschriften van de PW bij uitgaande waardeoverdrachten niet volledig sluitend zijn.

4.2.      Financiële toestand werkgever

M.i. lost art. 72 onderdeel c PW die imperfectie niet op. Dit artikel ziet toe op de situatie waarin de “financiële toestand” van de, in dat geval nog bestaande, voormalige werkgever een aanvullende bijdrage niet toelaat. In dat geval wordt de plicht tot waardeoverdracht opgeschort. De eerste volzin van art. 72 luidt immers : “De in artikel 71 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet zolang…”. Dat betekent dat bij herstel van de financiële toestand van de voormalige werkgever de plicht tot waardeoverdracht herleeft. Op dat moment moet door die werkgever alsnog de aanvullende bijdrage voldaan worden [8].

Overigens, in het voorgaande doel ik uiteraard op de voormalige werkgever. De PW verstaat echter onder werkgever : “degene die een werknemer krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht…. arbeid laat verrichten”. Dat kan dus ook de nieuwe werkgever van de werknemer zijn. Beter is het dus om in art. 72 onderdeel c PW uitdrukkelijk te melden dat het de “voormalige werkgever” betreft.

Middels art. 72 onderdeel c PW heeft de wetgever kennelijk beoogd een achterstand in de financiering alleen tijdelijk te gedogen in de verwachting dat na de periode van opschorting dit probleem alsnog wordt opgelost. Het is natuurlijk maar de vraag of het financiële herstel van de (voormalige) werkgever zich daadwerkelijk zal voordoen. Anno 2011 is dat voor veel werkgevers niet zeker. Wat anno 2011 wel zeker is, is dat uitgaande waardeoverdrachten extra lasten voor de voormalige werkgever met zich mee kunnen brengen.

4.3.      Imperfectie financieringsvoorschriften PW

Hier toont zich de imperfectie van de financieringsvoorschriften in de PW :

  • Als de financiële toestand van de werkgever de aanvullende betaling “permanent” niet toelaat, vindt de aanvullende betaling niet plaats;
  • Als de voormalige werkgever (bijvoorbeeld door faillissement) überhaupt niet meer bestaat blijft de aanvullende betaling sowieso achterwege;
  • De aanvullende betaling kan, indien een verzekeraar de uitvoerder is, niet ten laste van die verzekeraar worden gebracht (art. 26 BuPW).

 

5.         Waardeverschil en pensioenproducten

5.1.      Producten

Even een zijstap naar de (pensioen)praktijk van verzekeraars. De wettelijke rekenregels zien toe op uitkeringsovereenkomsten. Tot en met 2010 deed zich met name de situatie voor dat bij een inkomende waardeoverdracht de nieuwe werkgever moest bijbetalen. Daarom zijn er voor verzekeraars diverse producten op de markt gebracht die de bijbetalingsverplichting van werkgevers bij inkomende waardeoverdrachten moesten voorkomen. Ik noem er enkele :

  • De middelloonregeling waarin de bijbetalingskosten van inkomende waardeoverdrachten (middels een opslag op het tarief) voor rekening van de verzekeraar komen;
  • De beschikbare premieregeling die, niet eerder dan na het verstrijken van de 6 maandstermijn [9] , de deelnemer de mogelijkheid biedt om de premie om te zetten in een pensioenuitkering[10].

Deze producten zullen (anno 2011) moeten worden aangepast omdat de aanvullende kosten van uitgaande waardeoverdrachten niet “afgedekt” zijn. Kortom, behalve de “voordeur” zal van deze producten ook de “achterdeur” moeten worden afgedekt.

5.2.      Praktijk weerbarstiger dan theorie

Overigens blijkt uit het voorgaande dat de praktijk weerbarstiger is dan de theorie. Het betreft dan de beschikbare premieovereenkomst (ook wel geheten DC regeling[11]) waarvan er anno 2011 drie varianten bestaan :

  • DC Klassiek : de beschikbare premie wordt belegd;
  • DC Kapitaal : de beschikbare premie wordt aangewend ter verzekering van een kapitaal;
  • DC Rente     : de beschikbare premie wordt aangewend ter aankoop van een uitkering.

Van de eerste twee varianten is duidelijk dat die vallen onder de uitzonderingen als genoemd in art. 25 lid 4 BuPW. De variant DC Klassiek wordt genoemd in onderdeel b van art. 25 lid 4 BuPW. De variant DC Kapitaal wordt genoemd in onderdeel c van dat artikel. Deze beide DC varianten vallen onder de categorie uitzonderingen. De uitgaande overdrachtswaarde wordt dus niet berekend op basis van het standaardtarief voor wettelijke waardeoverdrachten (art. 25 lid 1 BuPW). De oude werkgever loopt daardoor geen risico op een bijbetalingsverplichting ingeval van uitgaande waardeoverdracht.

Valt de variant DC Rente nu ook onder de categorie uitzonderingen? Nee, volgens art. 25 lid 4 BuPW niet, daar wordt de variant DC Rente niet genoemd. Dat betekent dat op grond van dit artikel uitgaande waardeoverdrachten ingeval van de variant DC Rente altijd onder de wettelijke rekenregels voor waardeoverdrachten vallen.

Maar de tekst van art. 26 BuPW [12] formuleert dat anders. Dit artikel behandelt de pensioenovereenkomsten die niet onder de uitzonderingen vallen. Dus ook de variant DC Rente waarvan hiervoor is vastgesteld dat die niet onder de categorie uitzonderingen valt.

Dit artikel definieert de variant DC Rente namelijk als volgt : “een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering”.

Opmerkelijk is dat de definitie een onmiddellijke omzetting veronderstelt. Als gevolg daarvan sluiten art. 25 lid 4 en art. 26 BuPW niet op elkaar aan. Tabel 3 maakt dit duidelijk.

Tabel 3 : definitie DC Rente art. 25 lid 4 versus art. 26 PW

DC Rente : moment omzetting premie in uitkering

Valt de uitgaande overdrachtswaarde onder de wettelijke rekenregels voor uitgaande waarde overdrachten?

 

Art. 25 lid 4 PW

Art. 26 PW

Premie wordt direct omgezet in een uitkering

Ja

Ja

Premie wordt niet direct omgezet in een uitkering

Ja

Neen

Tabel 3 maakt duidelijk dat hier sprake is van een omissie in het BuPW. De vraag is overigens waarom art. 26 BuPW de vereiste van “onmiddellijke omzetting” stelt. De reden is mij niet bekend, de vereiste komt mij onlogisch voor [13]. Het is logischer om de variant DC Rente zonder die nadere voorwaarde ook onder de reikwijdte van de wettelijke rekenregels voor uitgaande waardeoverdrachten te scharen.

 

6.         Parlementaire status

In het parlement heeft de problematiek van (uitgaande) waardeoverdrachten inmiddels ook de aandacht gekregen n.a.v. Kamervragen van Omtzigt en Van Hijum d.d. 2 november 2010. Bij de antwoorden van minister Kamp van SZW d.d. 29 november 2010 merk ik het volgende op:

  • Het antwoord dat de bijbetalingsproblematiek zich ook kan voordoen bij kapitaalovereenkomsten is onjuist. Daarvan wordt de overdrachtswaarde op grond van art. 25 lid 4 BuPW onderdeel a juist niet bepaald volgens het standaardtarief.
  • Het standpunt dat de bijbetalingsproblematiek bij eindloonregelingen het grootst is en bij middelloonregelingen (vanwege de actuele rekenrente ad 3,00 %) “zeer beperkt”, is onjuist. Het gaat juist om uitgaande waardeoverdrachten die deels op een rekenrente van 4,00 % zijn gefinancierd (zie paragraaf 2.1.).
  • Het standpunt dat de bijbetalingsproblematiek niet zijn oorzaak vindt in onvoldoende affinanciering maar in verschillen in rentevoeten deel ik niet. Er moet worden overdragen en dan blijkt er anno 2011 niet voldoende (pensioen)geld in de kas te zitten. Ingewikkelder is het m.i. niet. De imperfectie van de financieringsvoorschriften in de PW is hier debet aan, niet de rentevoet.

Op 29 november heeft minister Kamp van SZW het onderzoeksrapport “De praktijk van waardeoverdracht” van het SEO van september 2010 aan de 2e Kamer gezonden. Daarin komt ook de bijbetalingsproblematiek aan de orde. In het kader van dit artikel ga ik niet in op de inhoud van het rapport. Wel is van belang de planning die blijkt uit de bijgesloten brief (en het hiervoor gemelde antwoord op de Kamervragen).

De parlementaire planning ziet er als volgt uit :

  • Uiterlijk in het 1e kwartaal van 2011 zal de Minister informeren hoe schrijnende bijbetalingkwesties kunnen worden weggenomen of beperkt;
  • Op zijn vroegst in de 2e helft van 2011 zal een fundamentele discussie over waardeoverdracht plaatsvinden.

 


7.         Tenslotte

7.1.      Samenvatting

De lage rekenrente ad 2,974 % voor uitgaande wettelijke waardeoverdrachten ex art. 71 PW brengt anno 2011 een aanvullende betalingsverplichting met zich mee voor de oude werkgever die voor de pensioenregeling een verzekeraar als uitvoerder in de arm heeft genomen. Die situatie doet zich met name voor bij overdragende deelnemers die reeds langere tijd deelnemer waren in de pensioenregeling omdat voor hen de pensioenaanspraak (groten)deels op een contractsrente ad 4,00 % is gefinancierd.

Op grond van art. 26 BuPW kunnen die kosten wél ten laste van het oude fonds maar niet ten laste van de oude verzekeraar worden gebracht. Daarentegen kan op grond van de parlementaire behandeling van het BuPW de conclusie getrokken worden dat die kosten ook ten laste van de oude verzekeraar gebracht kunnen worden.

De premieovereenkomst die voorziet in de omzetting van de premie in een uitkering (variant DC Rente) valt wel onder de reikwijdte van de wettelijke rekenregels voor uitgaande waardeoverdrachten. De tekst van de wet is echter niet duidelijk of dat voor iedere DC Rente regeling geldt. De artikelen 25 en 26 BuPW sluiten niet juist op elkaar aan.

Het feit dat er anno 2011 in geval van uitgaande waardeoverdrachten feitelijk moet worden afgefinancierd toont aan dat de financieringsvoorschriften in de PW imperfect zijn. Art. 72 onderdeel c PW doet daar niets aan af.

7.2.      Opheffen imperfecties

De geconstateerde imperfectie van de financieringsvoorschriften in de PW kan op verschillende manieren worden opgelost. Ik noem er twee.

Affinanciering ook ten laste van verzekeraar

Er zijn twee aanpassingen nodig om ervoor te zorgen dat de affinancieringskosten van een uitgaande waardeoverdracht (ook) ten laste van de verzekeraar worden gebracht.

Van artikel 72 PW moet onderdeel c geschrapt worden.

In art. 26BuPW moet vervolgens worden opgenomen dat de affinancieringskosten van een uitgaande waardeoverdracht ten laste van “uitvoerders in het algemeen” kunnen worden gebracht. Daarmede vallen ook verzekeraars onder de reikwijdte van dit artikel.

In de praktijk kan dat als volgt verwerkt worden :

  • De verzekeraar neemt in de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever op dat de kosten primair ten laste van de werkgever komen;
  • Kán de oude werkgever niet betalen, óf vanwege de financiële toestand óf omdat die simpelweg niet meer bestaat, dan komen de affinancieringskosten (conform de aangepaste PW) ten laste van de verzekeraar;
  • De verzekeraar loopt hier dus een risico. Risico’s zijn er om “verzekerd” te worden. Daar is wellicht wel een creatieve oplossing voor te bedenken, bijvoorbeeld in de vorm van een tariefopslag.

Aan deze methode kleven ook nadelen. In de eerste plaats is ze kostenverhogend voor werkgevers. Dat is anno 2011 een ongewenst effect. In de tweede plaats zal het risico alleen verzekerd zijn tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst.

Afschaffing wettelijke rekenregels

De financieringsvoorschriften zijn imperfect en voorkomen niet dat er bij uitgaande waardeoverdrachten sprake kan zijn van affinancieringsproblemen. In plaats van de financieringsvoorschriften in de PW aan te passen kan ook het probleem weggenomen worden. Schaf de rekenregels voor wettelijke waardeoverdrachten af. Of in ieder geval, beperk die dusdanig dat zowel uitgaande als inkomende waardeoverdrachten worden gebaseerd op de contractuele rekenrentes en niet langer op de wettelijke rekenrente ex art. 25 BuPW.

Ongetwijfeld zijn er ook andere oplossingen denkbaar. Dat zal de parlementaire behandeling in 2011 wel uitwijzen.


[1] De mogelijke overdracht naar een beroepspensioenregeling laat ik in dit artikel buiten beschouwing.

[2] We spreken van een uitgaande waardeoverdracht wanneer de overdracht wordt bezien vanuit de oude werkgever/uitvoerder.

[3] We spreken van een inkomende waardeoverdracht wanneer de overdracht wordt bezien vanuit de nieuwe werkgever/uitvoerder.

[4] In 2010 was de wettelijke rekenrente ad 4,122 % hoger dan de contractuele rekenrente ad 3,00 % waardoor nieuwe werkgevers in 2010 bij inkomende waardeoverdrachten werden geconfronteerd met voor hun rekening komende aanvullende betalingen.

[5] Het standaardtarief is gebaseerd op een netto tarief. Verzekeraars hanteren een bruto tarief door het netto tarief te verhogen met kostenopslagen.

[6] Nota van toelichting bij het Besluit uitvoering Pensioenwet, Stb. 2006, 709, pagina 55.

[7] Ik maak bewust het onderscheid met pensioenrechten aangezien deze reeds ingegane pensioenen betreffen waarbij waardeoverdrachten als bedoeld in artikel 71 PW zich niet voordoen.

[8] Ik merk op dat art. 23a BuPW (opschorting plicht tot waardeoverdracht) niet expliciet meldt hoe in dat geval gehandeld moet worden. Lid 4 van dit artikel ziet alleen toe op herstelsituaties bij uitvoerders. Wellicht omdat onderdeel c pas in een latere fase aan art. 72 PW is toegevoegd?

[9] Art. 71 lid 3 PW stelt immers de voorwaarde dat, wil de plicht tot waardeoverdracht ontstaan, de deelnemer binnen 6 maand na aanvang van de verwerving een verzoek tot waardeoverdracht moet indienen.

[10] Vanaf dat moment valt deze regeling (voor dat deel) niet meer onder de uitzondering van art. 25 lid 4 BuPW.

[11] DC staat voor Defined Contribution.

[12] Zie ook paragaaf 3.

[13] Ook in art. 55 lid 3 PW sluit de definiëring van een DC Rente niet aan bij de praktijk. Alleen wanneer de premie direct wordt omgezet in een uitkering is bij beëindiging van de deelneming vaststelling en affinanciering als bij uitkeringsovereenkomsten (art. 55 lid 1 PW) geboden.

AddThis Social Bookmark Button
 

Reacties 

 
#1 Mr. Edwin van Anraad CPL 19-04-2011 13:12
Het wettelijk recht op waardeoverdrach t is ooit in het leven geroepen om de financiële nadelen van pensioenbreuk bij eindloonregelin gen te beperken. Dit doel is amper nog van toepassing in de huidige praktijk; de belangrijkste reden voor waardeoverdrach t lijkt nu te zijn de eenvoud van alle aanspraken bij één uitvoerder.

Naar mijn idee is het in ieder geval hoog tijd dat dit wettelijk recht opnieuw wordt bezien, waarbij zeker ook een afweging moet worden gemaakt tussen het huidige nut van waardeoverdrach t en de lasten die dit met zich mee kan brengen voor de werkgever.